Sharing different heartbeats
one night to be confused one night to speed up truth we had a promise made four hands and then away both under influence we had devine scent to know what to say mind is a razorblade to call for hands of above to lean on wouldn't be good enough for me, no one night of magic rush the start a simple touch one night to push and scream and then relief ten days of perfect tunes the colors red and blue we had a promise made we were in love to call for hands of above to lean on wouldn't be good enough for me, no to call for hands of above to lean on wouldn't be good enough and you, you knew the hand of the devil and you, kept us awake with wolfs teeth sharing different heartbeats in one night to call for hands of above to lean on wouldn't be good enough for me, no to call for hands of above to lean on wouldn't be good enough
Een beetje beschonken liep hij van de BBQ terug naar huis. Het was nog helemaal niet laat ’s avonds, maar hij had geen zin om domweg te zitten staren naar een griezelfilm bij Jan thuis. Ze hadden wat gitaar zitten spelen en gelachen, maar toen ze voorstelden naar een film te kijken was voor hem de avond gedaan, er was niets dat hij saaier vond. Zijn hoofd tolde en hij besloot even neer te gaan zitten. Dat was het moment waarop hij het meisje zag; klein, tenger, maar ze liep met een stevige pas. Ze liep net in het licht van een lantaarnpaal, maar hij had kunnen zweren dat zij het licht uitstraalde. Hij was het zeker; dit was iemand die hij niet zomaar mocht laten voorbij lopen. Ook al zou ze hem gek vinden, hij kon het niet laten te proberen haar aandacht te krijgen. Vanuit het lange gras zei hij “Dag schoonheid”
“Shit!” zei ze. Wééral kon ze haar sleutel niet vinden. Vanavond zou ze iets gaan drinken met wat vrienden, maar zonder sleutel zou ze voor twaalf uur thuis moeten zijn, en dat zag ze niet zitten. “Aha!” dacht ze toen ze de sleutel naast haar laptop vond. Nog geen 10 seconden later sloeg ze de deur achter haar dicht en begon naar Jonas te stappen. Ze zette er flink de pas in want ze wilde niet opnieuw te laat komen. Halverwege hoorde ze plots een stem. “Dag schoonheid” Ze keek opzij en zag een jongen zitten in het gras. Naast hem lag een gitaar. Een moment keek ze hem raar aan en stapte dan weer verder. “Hoe noem je?” vroeg de jongen. Opnieuw stond ze even stil en keek hem met een boze, onbegrijpende blik aan. Voor ze zich opnieuw kon omdraaien en verder lopen zei hij: “Ik heet Adrien Verniers.” “Proficiat” zei ze bijtend en ging verder. “Zo gehaast?” vroeg hij. “Ik heb belangrijke dingen te doen” zei ze zonder hem aan te kijken. Hij sprong recht en stapte haar achterna, nam haar arm vast. “Geen tijd om deze jongen een beetje aandacht te geven?” lachte hij. “De enige aandacht die jij kan krijgen is die van mijn knie in jouw kruis als je mij nog een keer aanraakt.” zei ze, en keek hem in de ogen tot hij haar losliet. “Xenofoob?” vroeg hij. “Intelligent, danku.” Verbeterde ze. “Dat trek ik niet in twijfel.” Ze gaf geen antwoord, dus probeerde hij nog maar eens. “En waar ga je dan wel heen dat zo belangrijk is?” “Ergens waar jij niet komt, gelukkig” zei ze. “Je weet nooit waar je mensen tegenkomt, de wereld is klein” Hij glimlachte. “Het spijt me je teleur te stellen, maar ze is wel groot genoeg om jou te kunnen ontwijken.” Nu was zij het die lachte. Hij bleef achter haar stappen. “Oké, niet xenofoob. Misschien heb je zoveel liefde van je vader gemist dat je nu wegloopt van mannen die contact met je willen, onbewust om niet gekwetst te worden.” Ze begon het stilaan beu te worden dat hij zo bleef proberen. Ze stopte en draaide zich om, hij liep bijna tegen haar op. “Excuseer, ik word genoeg gewaardeerd door mijn vader, mister Freud” zei ze boos. “Oh oh, heb ik een punt?” lachte hij. “Neen een gat in je hersenen. En nu ga ik verder, zonder dat jij mij achterna komt, begrepen?” Hij trok een melig gezicht en zei, alsof hij middenin een huilfilm zat, “Wil je dan niet gewaardeerd worden door iemand die je niet beoordeelt door wat je zegt? Door hoe je eruitziet? Geef je dan geen kans aan onvoorwaardelijke liefde? Aan iemand die elke nacht aan je venster een liedje zou willen komen zingen?” Voor ze het wist had hij zijn armen naar haar uitgestrekt en was hij op zijn knieën gaan zitten. “Een stalker bedoel je? Nee, dank je, dag.”zei ze kort en bondig en stapte weer verder. “Dag dan, mijn liefste, ik zie je hier wel nog eens.” zei hij terwijl hij zijn gitaar nam. “Deze plaats zal ik nu wel vermijden, vertrouw me” zei ze terwijl ze verderging. Ze hoorde hoe hij achter haar een liedje begon te spelen van José Gonzalez. Het liedje kende ze zowat van buiten, het was een van die liedjes die haar aan de liefde deden denken, aan hoe graag ze wel eens een jongen zou willen hebben waarbij ze altijd terecht kon, die om haar gaf zoals zij om hem. Ze voelde de drang om om te kijken, maar schudde in de plaats daarvan haar haar uit haar gezicht.
Hij had het gezien; hoe ze haar pony uit haar gezicht had gesmeten. Hij zou er zijn hart op verwedden dat ze had willen omkijken. Het hele liedje speelde hij uit, ook toen ze al uit het zicht was verdwenen.
Die nacht was ze blijven slapen bij Jonas, en rond de middag liep ze naar huis. Dit keer liep ze niet door het pad, maar toch kwam ze Adrien tegen. Hij zat op de stoeprand samen met wat vrienden muziek te maken. Ze wilde kijken, maar durfde niet, ze wou niet uit haar ivoren toren komen, hem hoop geven. Maar net toen ze keek, keek hij ook naar haar. Ze draaide snel haar hoofd weg, hopend dat hij niet doorhad dat ze naar hem had gekeken. Toen hij echter weer het liedje van de avond ervoor begon te spelen, wist ze dat ze zichzelf verraden had. Hopend dat ze niet rood zag liep ze snel door.
Wat een rotavond! Iedereen zat met een lang gezicht in de zetels van de Limonada, en ze kon het niet laten er ook een te trekken. Alle koppeltjes waren maar weer eens aan het ruziën die avond en de hele stemming was erdoor naar beneden gegaan. Als er een ding was waar ze niet tegen kon, was het dat wel; prachtige koppels die enkel zagen wat ze niet hadden, niet wat ze wél hadden dat mooi, waardevol, duurzaam was. Of kon zijn, moesten ze het zien. Ze moesten maar eens in haar plaats zijn. Reeds een jaar was ze vrijgezel en leek ze niet in staat verliefd te worden of thuis het goed te doen, alles leek wel een puinhoop geworden het voorbije jaar. Ook al was iedereen wat aangeschoten, de sfeer verbeterde allesbehalve, dus besloot ze naar huis te gaan. Snel groette ze iedereen en vertrok naar huis. Pas toen ze buiten stond voelde ze hoe haar hoofd draaide. “Dan toch maar langs het pad” dacht ze, en begon rustig te stappen.
Ze had het kunnen raden; hij liep net ook langs het pad. Terwijl ze op elkaar afliepen zag ze hoe hij haar aankeek. Dit keer keek ze terug, het kon haar niet schelen of hij iets zou zeggen, dan had ze misschien toch nog iemand die vriendelijk was tegen haar deze avond. “Slechte avond gehad dan?” vroeg hij toen hij vlakbij haar was. “Misschien wel ja.”zei ze. “wil je erover praten?” Ineens leek hij serieus, dit was de eerste keer dat hij niet iets lachend had gezegd. Even keek ze hem aan en besloot dan maar vriendelijk te doen tegen hem. “Liever niet, veel valt er niet over te zeggen.”zei ze terwijl ze naar de grond keek. “Als ik een slechte avond heb, ga ik vaak gewoon ergens in een veld of een stuk gras liggen kijken naar de sterren. Doen?” Hij stak zijn hand uit, vragend naar de hare. Ze keek naar zijn gezicht, zijn blauwe ogen die een contrast waren met zijn pekzwarte haren. “Ach wat” dacht ze, en legde zijn hand in de hare. “Vooruit dan maar” zei hij, en trok haar mee naar de plaats waar ze elkaar de eerste keer zagen; het stuk braakliggend gras, met een lantaarnpaal aan de rand. In het midden van het stuk gooide hij zich op de grond, zijn gitaar naast hem, zijn armen plaatste hij achter zijn hoofd. Aarzelend ging ze naast hem liggen, en zo lagen ze daar een paar minuten. Hij zette zich recht en begon opnieuw het liedje te spelen. In het midden van het liedje legde ze haar hand op zijn snaren. “Iets anders?” ze keek hem in de ogen. “Wat dan? Weet jij iets?” vroeg hij. “Niet echt nee… Niets spelen is ook niet erg.” Teleurgesteld liet hij zijn armen rusten op de gitaar. “Hoe lang speel je al gitaar?” vroeg ze. “Al 6 jaar, speel jij iets?” antwoordde hij. Ze legde zich op haar zij en leunde op haar hand. “Ik heb nog gitaar gespeeld.” verklapte ze. “Waarom ben je gestopt?” vroeg hij benieuwd, alsof het onmogelijk leek te stoppen met gitaar te spelen. “Mijn moeder heeft het mij geleerd” ze keek hem in de ogen. “Dat… kan een goede reden zijn, afhangend van je moeder dan” zei hij aarzelend. “Het is een heel goede reden, geloof mij” zei ze en ging weer op haar rug liggen. Zo was hun gesprek op gang gekomen, en het duurde uren. Ze praatten over vanalles: dagdagelijkse dingen, persoonlijke dingen, problemen, muziek, vrienden,…
Hij keek haar aan terwijl ze vertelde. Ze fascineerde hem mateloos. De manier waarop ze zich had overgegeven aan hem zonder enige kracht te verliezen, het timbre van haar stem, hoe ze af en toe eens recht ging zitten, hoe ze haar armen bewoog terwijl ze sprak, grassprietjes aan elkaar knoopte. Had hij niet zo dicht bij haar gelegen zou ze verdwenen zijn in het gras, het was zeker 30 centimeter hoog. Hij prees zichzelf gelukkig zo dicht bij iets bijzonders te mogen liggen. Ze straalde vanalles uit: pijn uit het verleden, maar tegelijkertijd ook optimisme en levenslust, kracht om de moeilijkheden waar ze nu mee kampte aan te pakken, en terwijl ze een heleboel wijsheid bezat, leek ze toch een kwetsbaar, naïef meisje dat geen idee had van hoe ze het leven moest aanpakken, overleven. Hij had aandachtig geluisterd naar wat ze vertelde over hoe ze was of probeerde te zijn. Ze wou iemand zijn die iedereen een kans gaf ongeacht wat ze erover had gehoord, en daar toch niet te ver in gaan. Iemand die er was voor haar vrienden op de meest onmogelijke momenten van de dag, zonder ze dat kwalijk te nemen. Zonder hen iets kwalijk te nemen waartoe ze het recht niet had. Hij had haar gevraagd of het haar lukte. Ze dacht dat ze er beter in slaagde dan ze voor mogelijk had gehouden, maar ze vond het moeilijk. Doordat veel mensen op haar vertrouwden en haar als eeuwige steun leken te zien, leek ze wel een oud en vertrouwd meubilair geworden dat vervaagde achter de bewoners, maar toch onmisbaar was. Hij beeldde zich in hoe ze zich moest voelen; ondergewaardeerd maar vastgebonden; zonder haar zou het kaartenhuisje ineen storten. “En wie vroeg je om zo te zijn?” vroeg hij uiteindelijk. Even leek ze geen antwoord te hebben. “Ikzelf. Omdat ik dacht dat ik het kon” Vertelde ze. “Dom, geen mens kan dat, en ik ben allesbehalve de gedroomde vriendin. Proberen doe ik meer dan ik kan, maar een glimlach is niet eeuwig, geloof me. En mijzelf verbergen lukt gewoon niet. Zoveel moeite wil ik ook niet doen.” Ze lachtte. “Kan je je vrienden dan even van je afzetten? Of niet? Even de hele wereld laten wegzweven en genieten van …” Het leek wel alsof hij niet kon uitdrukken wat hij wilde zeggen, alsof hij woorden ontbrak. “Ik bewonder je” zei ze, en keek hem recht in de ogen, wat haar woorden nog meer kracht gaven. “En ik waardeer je voor wat je bent en wat je wilt bereiken” zei hij. Hij legde zijn arm om haar heen. Haar haar rook naar vanille, alsof ze het net met vanillearoma besprenkeld had. Hij kwam dichter bij haar en wilde haar kussen, maar net op dat moment kwam ze recht, leek even te draaien, en zei “Ik moet naar huis, het is al veel te laat” Waarop ze direct naar huis liep.
Al zeker twintig keer had ze zich afgevraagd waarom ze in godsnaam zo ineens naar huis was gegaan. Had ze weer niet gedurfd haar over te geven aan iemand? Was ze opnieuw niet in staat zich in iemands armen te leggen en daar gewoon te liggen? Ze kon zichzelf wel vervloeken dat ze zo’n mooi moment verpest had. Nog nooit had ze zich zo goed gevoeld bij een jongen, nog nooit had ze zich zo rustig gevoeld, nog nooit had ze het gevoel gehad dat ze gewoon kon gaan liggen bij hem en dat hij bij haar zou blijven, ook al werd ze nooit meer wakker. Ze bewonderde hem mateloos. Hij leek alles gewoon heel simpel en duidelijk te kunnen zien, iets wat zij niet meer kon. Toch had hij haar gezegd dat ze wat naïef leek, dat ze snel vertrouwen leek te stellen in de dingen. Nu ze met hem had gepraat leek het haar beter te lukken alles duidelijk te zien. Groen was niet langer geel en blauw, maar gewoon groen. Roze niet langer wit en rood, maar gewoon roze. En hem niet terugzien was simpel en duidelijk gezien een ramp. Natuurlijk had ze ook via tal van excuses en omwegen kunnen bewijzen dat het beter zou zijn dat ze hem nooit meer zag, maar ze wou niet, ze vertrouwde blindelings in zijn goedheid. Ze moest en zou hem terugzien, zo snel ze kon.
Het lukte haar niet haar gedachten op iets anders te zetten, en zoals ze dat wel vaker had, ging ze gewoon wat rondlopen in de buurt. Naar het braakliggend terrein. Ze bleef rondlopen en rondlopen, ging zitten in het park, op een oprit, op het braakliggend terrein, stond weer op, liep weer een paar straten in. Voor ze het wist was het donker. Ze ging terug naar huis en at wat. En ze vertrok weer. Liep opnieuw langs het pad. Tot ze haar naam hoorde. Ze bevroor, ze verzette geen stap meer. Langzaam draaide ze zich om, keek naar boven en zag Adrien staan. “Kom naar boven, ’t is hier echt bijzonder!” riep hij en wees haar langs waar ze naar boven kon. Twee minuten later stond ze bovenop het dak van de sporthal. Het dak was immens, de sporthal zag er op het dak veel groter uit dan binnen of op de grond. Hij zag haar met grote ogen kijken en zei: “Hier is meer ruimte om te sporten dan in de sporthal zelf!” Hij nam een aanloop en deed een salto. Ze kon geen woord uitbrengen, het beeld was gewoon veel te bijzonder. De takken van de bomen die rustten op het dak, hij die rondliep, het bijzondere licht. Hij kwam op haar afgelopen en pakte haar op. Ze leek wel te vliegen, voelde zich zo licht als een veertje. Even leek hij haar in de lucht te smijten maar hij liet haar handen geen minuut los.
Ze leek wel een engel die voor de eerste maal vloog. Hij draaide haar helemaal rond, liep het hele dak samen met haar af tot ze niet meer konden. Voor een laatste keer gooide hij haar in de lucht, waarna ze dadelijk ging liggen. Doordat ze zijn handen nog vast had, werd hij meegetrokken en belandde hij bovenop haar. Hij zag hoe ze bloosde omdat ze buiten adem was. Toen ze naar hem glimlachte voelde hij zijn buik kriebelen en zijn hartslag versnellen. Even wist hij niet meer wat hij voelde; haar hartslag of de zijne. Hij voelde haar lichaam: haar benen, haar heupen in zijn onderbuik, haar buik die op en neer ging als ze ademde, haar borsten die tegen zijn borst drukten, haar warmte. Ze duwde hem van zich af en liep terug naar de plek waar ze op het dak was gekropen. Verdwaasd bleef hij even achter, maar al snel liep hij haar lachend achterna. Ondeugend kroop ze naar beneden, wetend dat hij haar zou volgen. Terwijl hij naar beneden kroop zag hij hoe ze over het grasveldje liep. Hij liep haar achterna en greep haar vast. Ze draaide naar hem toe, hij voelde hoe ze zich aan hem overliet en drukte zich tegen haar aan en kuste haar. Hij voelde hoe ze hem steviger vastnam, vroeg om meer. Hij legde haar gezicht in zijn handen en wou dat dit moment voor eeuwig zou duren. Toen ze weer op adem kwamen zag hij dat ze in het licht van de lantaarn stonden, en net zoals hij de eerste keer dat hij haar zag dacht dat zij dat licht gaf, kon hij nu wel zweren dat zij licht uitstraalden.